De Waterleidingplas is een is een diepe plas (gemiddelde diepte is 5.5 en maximale diepte 15 meter), aangelegd in de vijftiger jaren. De plas maakt onderdeel uit van het Zuidelijke Vechtplassengebied, op de overgang van de hooggelegen Utrechtse Heuvelrug en het lager gelegen Vechtdal. Deze plas dient primair voor de drinkwaterbereiding. Het water in de plas komt via het Waterleidingkanaal uit de diep gelegen Bethunepolder, waar het opkwelt vanuit de ondergrond. De Waterleidingplas is een afgesloten plas op een afgesloten terrein. De inrichting en het beheer zijn toegesneden op de drinkwaterbereiding, bijvoorbeeld doordat het water tenminste 85-100 dagen op de plassen verblijft alvorens het naar Weesperkarspel wordt gepompt om het verder te zuiveren. In de Waterleidingplas wordt een iets hoger peil gehandhaafd dan in de omgeving om toestroom van mogelijk vervuild grondwater te voorkomen.
Waterleidingplas (NL11_3_9) heeft watertype “matig grote diepe gebufferde meren” (M20) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 124 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3310-EAG-2 (Loenderveen (GWA), Waterleidingplas)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Wijdemeren. Het waterlichaam Waterleidingplas heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Gemeente Amsterdam.
De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote diepe gebufferde meren (M20), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn gericht op watervegetaties die horen bij dit type wateren en op moerasvogels, onder andere de purperreiger.
De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Waterleidingplas (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.
De Waterleidingplas is door de aanleg van de ringdijk en door de voortdurende aanvoer van water voor de drinkwaterproductie een enigszins kunstmatig watersysteem. Niettemin heeft zich ook hier natuur ontwikkeld. `Helderwatersoorten’ zoals kranswieren en fonteinkruiden komen hier op verschillende plaatsen voor. Aan de buitenkant van de Waterleidingplas ligt een moeraszone die is ontstaan bij de aanleg van de Waterleidingplas in de 50’er jaren. Het venige bodemmateriaal van de Waterleidingplas is toen over de rand van de aangelegde ringdijk gestort, waardoor ten oosten van de plas een soort oeverland ontstond. Hierop heeft zich een laagveenmoerasvegetatie ontwikkeld met plaatselijk bijzondere plantensoorten van het veenmosrietland. Regelmatig broedt hier ook de purperreiger. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.1 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.18 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.1 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.32 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. Stikstof gaat achteruit en ook fosforconcentraties vertonen een stijgende trend.
Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van de goede kwaliteit is de goede waterkwaliteit. Het Bethunewater ondergaat een krachtige zuiveringsstap waarbij het fosfaat wordt verwijderd alvorens het op de Waterleidingplaswordt gebracht. De verblijftijd op de plas is relatief kort: circa 100 dagen. Deze plas is daardoor helder, met een voedselarme waterkwaliteit. De hoge concentratie stikstof en toename van sulfaat (door een andere inlaatbron tijdens droge zomers) zijn wel aandachtspunten.
Maatregelen op hoofdlijnen
Er zijn geen specifieke maatregelen nodig in dit waterlichaam, behalve het verjagen van ganzen.
Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.
|
|
Productiviteit water vormt geen probleem. Chlorofyl-A concentraties (algen) liggen praktisch altijd onder de detectiegrens. De fosforbelasting is lager dan de kritische grens. De meting van effluent is niet representatief voor inkomende fosforconcentraties, omdat veel van het totaal-P in de plas aan ijzer gebonden is en bezinkt. |
|
|
Lichtklimaat vormt geen probleem. Het doorzicht is 6 meter. Er staan tot 6.5 m diepte waterplanten. Er valt voldoende licht tot 6.4 meter (meer dan 4% licht op de bodem), dat is 60% van het oppervlak van de plas. |
|
|
Productiviteit bodem vormt geen probleem. De vegetatiebedekking is wel hoog in de plas, maar er is geen sprake van woekerende waterplantensoorten. |
|
|
Habitatgeschiktheid vormt geen probleem. De emerse vegetatie scoort goed op de maatlat, dankzij het verjagen van ganzen. Er zijn vrij veel basen aanwezig in het water, omdat het grondwater uit de Bethunepolder een belangrijke waterbron is. |
|
|
Verspreiding vormt geen probleem. Er is geen kwabaal en paling aanwezig waar migratievoorzieningen voor nodig zijn. Er is blijkbaar geen aanwas van jonge glasaal. De weg van en naar de Vecht is voor vis wel passeerbaar. Het gebied is voldoende groot voor stabiele populaties. |
|
|
Verwijdering vormt een probleem maar is door de ganzenbestrijding onder controle. Emerse vegetatie scoort goed op de maatlat, dankzij het verjagen van ganzen. |
|
|
Organische belasting vormt geen probleem. De zuurstofdynamiek is in orde, er zijn geen overstorten en geen bomen rond de plas. Er is voldoende zuurstof nabij de waterbodem. |
|
|
Toxiciteit vormt geen probleem. De SIMONI score < 1 (0.3), dus er is geen toxisch risico voor flora en fauna. |
Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Stand van zake ESFs, 2018.
| ESFoordeel | SGBPPeriode | Naam | Toelichting | BeoogdInitiatiefnemer | UitvoeringIn |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
SGBP1 2009-2015 | Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 | Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Beperken juveniele ganzen (voortzetting) | Door ganzenbeheer krijgen met name rietoevers meer kans om tot ontwikkeling te komen. De gemeente Amsterdam neemt noodmaatregelen (afvangen van ruiende ganzen en plaatsen van rasters bij bedreigde rietkragen), vooruitlopend op een structurele aanpak. Bij de aanleg van natuurvriendelijke oevers is het belangrijk jonge aanplant te beschermen (bijvoorbeeld met gaas) tegen vraat. Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Terra Nova, Loenderveen-Oost en Waterleidingplas. | Gemeente Amsterdam | 2021-2027 |
| SGBP3 2021-2027 | Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren | Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. | Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen | 2021-2027 | |
| SGBP2 2015-2021 | Beperken juveniele ganzen afgerond | Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Terra Nova, Loenderveen-Oost en Waterleidingplas. | Gemeente Amsterdam | 2015-2021 | |
| SGBP1 2009-2015 | Beperken juveniele ganzen door eieren rapen | Het betreft het rapen van eieren om de graas door ganzen en daarmee de belasting van het milieu in het gebied te beperken.Dit is een voortzetting van de maatregel die al in de periode 2007-2009 is uitgevoerd. | Gemeente Amsterdam | 2009-2015 |
Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.
Geen herbegrenzing nodig.
In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.
Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.
Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.
Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.
Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.
Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.
GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.
EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.
KRW Kaderrichtlijn water
N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).
EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.
Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.
Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.
Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.
Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.
GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.
SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.
Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.